O9 en O10 · Week 1 · Training 1

Bal aan de stick (1)

Dribbelen60 min

De kinderen houden de bal binnen stickafstand als ze dribbelen, stoppen en wegdraaien, en kijken daarbij op. In de vrije ruimte duwen ze de bal los vooruit en brengen ze hem daarna weer aan de stick.

  • Dribbelen met de bal aan de stick
  • Dribbelen in snelheid
  • Wendbaarheid en coördinatie
  • Spelen met plezier

Opbouw

4 blokken · 60 min

Materiaal

Alles wat je voor deze training klaarlegt

  • 12 pionnen voor de hoeken en de middenlijnen
  • 3 hesjes voor de tikkers
  • 4 blauwe pionnen voor de twee zonelijnen, 6 bij 12 kinderen
  • 4 doeltjes
  • 4 oranje pionnen voor de hoeken van het vak
  • 4 pionnen per vak (8 bij twee vakken)
  • 4 pionnen voor het vak (8 bij twee vakken)
  • Ballen, één per veld en een paar reserveballen bij de doeltjes
  • Ballen, voor ieder kind één
  • Fluit
  • Hesjes in twee kleuren (voor de variaties)
  • Hesjes in vier kleuren
  • Stopwatch of telefoon voor de rondes

Trainerstips

  • Materiaal: een bal voor ieder kind, 4 pionnen voor de hoeken (8 als je met 12 kinderen in twee vakken speelt), 4 blauwe pionnen voor de zonelijnen (6 bij 12 kinderen) en 3 hesjes voor de tikkers. Voor de partij: 4 doeltjes, 12 pionnen, hesjes in vier kleuren en een fluit.
  • Neerzetten: het tikkertje speel je in een vak van 20 bij 15 meter. Voor Los en vast zet je de hoekpionnen op 24 bij 15 meter en blauwe pionnen op 8 en 16 meter. Zo krijg je drie zones van 8 meter. Voor Koning van het vak schuif je de hoekpionnen naar binnen tot 15 bij 15 meter. Zet de partijveldjes al vóór de training klaar.
  • Het coachpunt van de hele training is het weekthema: bal aan de stick, kijk op. Laat het één keer zien, laat ze spelen en verbeter kort in het voorbijgaan. Een uitleg duurt nooit langer dan twintig seconden.
  • Tikkertje: twee tikkers met een hesje en een eigen bal. Tikken is met je stick de bal van een ander aanraken, nooit de stick of de benen. Wie getikt is, doet vijf keer de bal rond de voeten en speelt verder. Na elke minuut fluit je en geven de tikkers hun hesje aan een kind dat nog geen tikker was.
  • Los en vast: ieder kind heeft een eigen baan van twee meter breed. De banen gaan om en om de andere kant op, zodat je steeds iemand tegemoetkomt. Speel rondes van drie minuten: eerst de basis, daarna de variaties. Jij staat aan de zijkant bij de middenzone.
  • Valkuil bij Los en vast: bij de zonelijn rolt de bal door. Laat ze vlak voor de blauwe pionnen afremmen met de stick op de bal. Binnen één pas na de lijn is de bal weer aan de stick.
  • Koning van het vak: vijf rondes van drie minuten met een halve minuut rust. Tik alleen tegen de bal en nooit met een slag. Afschermen met je lichaam mag niet, wegdribbelen wel. Ligt je bal eruit, dan haal je hem op, doe je buiten het vak vijf keer de bal rond de voeten en dribbel je weer naar binnen. Niemand is af.
  • Partij 4 tegen 4: twee velden van 25 bij 18 meter met 5 meter ertussen, een doeltje op elke korte kant en geen keeper. Scoren mag alleen met een push vanaf de helft van de tegenstander. Speel wedstrijdjes van drie minuten; daarna gaan de winnaars naar veld 1 en de verliezers naar veld 2. Een doelpunt na een dribbel over de middenlijn telt dubbel.
  • Bij 6 kinderen: één tikker in een vak van 15 bij 15 meter, Los en vast in het vak van 24 bij 15 meter, Koning van het vak in één vak waarin jij meedoet met een eigen bal, en de partij 3 tegen 3 op één veld. Bij 12 kinderen: drie tikkers, of twee vakken van 15 bij 15 meter met elk zes kinderen en één tikker. Los en vast in een vak van 25 meter breed, met een extra blauwe pion midden op elke zonelijn. Koning van het vak in twee vakken van 15 bij 15 meter met zes per vak. De partij met vier teams van drie: 3 tegen 3 op beide velden.