Alle woorden die je op het veld hoort, in gewone taal. Met wat je zelf roept, en bij veel woorden een animatie waarin je het ziet bewegen.
56 woorden
#
10-metergebied
Veld
Ook: tienmetergebied, 10-meterlijn
Bij O9 ligt voor elk doel een vak van tien meter diep, in plaats van een cirkel. Scoren kan alleen als een aanvaller de bal in dat vak heeft geraakt. Bij een lange corner, en bij een vrije slag of inslag vlak bij het vak, moet de bal eerst drie meter rollen voordat hij erin mag.
23-meterlijn
Veld
Ook: 23 meter
Een lijn op een groot hockeyveld, aan beide kanten op ongeveer 23 meter van de achterlijn. In het grote spel geeft hij het laatste stuk voor het doel aan. De veldjes van de jongste jeugd hebben hun eigen indeling; vraag bij twijfel hoe jullie veld is uitgezet.
6-tallen
Spel
Ook: zestallen, 6 tegen 6
De wedstrijdvorm van de KNHB voor Onder 9: zes tegen zes, met een keeper in elk team, op een veld van ongeveer 43 bij 25 meter. Elk kind komt veel aan de bal en speelt op verschillende plekken. Onder 10 speelt 8 tegen 8 op een half veld.
Een bal die naar je toe komt onder controle brengen, zodat hij vlak voor je bij de stick blijft. Je zakt door de knieën, houdt de stick laag op de grond en staat al open naar waar je de bal daarna heen speelt. Een goede aanname maakt de volgende pass makkelijk.
Je bent aanspeelbaar als een medespeler de bal naar je kan spelen: er staat niemand tussen en je stick ligt klaar op de grond. Je laat met je stick zien waar je de bal wilt hebben. Stap de bal tegemoet in plaats van te wachten.
Als je de stick omdraait, kun je de bal links van je lichaam spelen: dat is de backhand. De platte kant wijst dan naar links. Kinderen moeten wennen aan het omdraaien van de stick, dus de backhand komt na de forehand.
Je team heeft balbezit als een van jullie de bal heeft. Dan wil je de bal houden door vrij te lopen en naar de vrije speler te passen. Ben je de bal kwijt, dan heeft de tegenstander balbezit en ga je verdedigen.
Een beschermer voor de tanden, van zacht plastic. In de wedstrijd is een bitje verplicht, ook bij de jongste jeugd, en op de training is het verstandig. Een bitje dat thuis op maat is gemaakt, zit het prettigst.
Blok-tackle
Techniek
Ook: blocktackle
Verdedigen door de stick met twee handen plat op de grond voor de bal te zetten, met het lichaam laag en de voeten stevig. De aanvaller loopt met de bal tegen je stick aan. Kinderen leren dit vanaf O11–O12; bij O9 en O10 gaat het eerst om afstand houden en de jab.
Blok-tackle
Bolle kant
Regels
De ronde achterkant van de stick. Je speelt de bal alleen met de platte kant; met de bolle kant spelen mag niet. Bij O9 fluit de speelbegeleider het alleen als een team er echt voordeel van heeft. Daarom leren kinderen de stick om te draaien voor de backhand.
Spelregels kennen
Breed en diep
Spel
Als jullie de bal hebben, maak je het veld groot. Breed: spelers bij beide zijlijnen. Diep: iemand ver naar voren en iemand achter de bal. Dan ontstaat er ruimte en is er altijd iemand vrij.
Het halfronde vak voor het doel op een groot hockeyveld. Een doelpunt telt alleen als een aanvaller de bal in de cirkel heeft geraakt. Bij O9 ligt er in plaats daarvan een 10-metergebied met dezelfde functie; vanaf O10 speel je met een cirkel of een vak van dezelfde grootte.
Coachpunt
Organisatie
Eén korte aanwijzing die je roept of waar je op let, zoals 'kijk op' of 'stick laag'. Elke stap van een oefening in de app heeft er één. Kies er per oefening één en herhaal het; meer onthoudt een kind van negen niet.
Het formulier waarop na de wedstrijd de uitslag komt. Bij de jongste jeugd vullen de coaches en de speelbegeleider het samen in. De uitslagen worden niet gepubliceerd, maar de KNHB gebruikt ze om teams later op een passend niveau in te delen.
Doeltje
Materiaal
Ook: minidoel
Een klein doel zonder keeper, voor spelvormen en partijtjes op de training. Met meer doeltjes is er bijna altijd een doel vrij, en dat beloont breed spelen.
Lopen met de bal aan de stick. Bij de vaste dribbel blijft de bal dichtbij en tik je hem steeds mee; bij de losse dribbel duw je hem een paar meter vooruit en sprint je erachteraan. Opkijken tijdens het dribbelen is het belangrijkste wat een kind hierbij leert.
Een harde, lage pass waarbij de stick bijna plat langs de grond zwaait. De bal gaat snel en vlak over het veld. Kinderen leren de flats na de push en de slag, vanaf O11–O12. Bij jouw team zie je hem nog niet.
Slag en flats
Forehand
Techniek
De gewone kant van de stick: je speelt de bal rechts voor je lichaam, met de platte kant naar voren. Bijna elke push en elke aanname begint op de forehand. De andere kant heet backhand.
Een draai waarbij je je rug naar de pion of de tegenstander keert en de bal aan de andere kant van je lichaam houdt. Zo houd je de bal ver van de stick van de ander. Daarna kom je met de bal aan de stick weer naar voren.
Zo zeg je hetRug naar de pion, bal aan de andere kant!
Een gekleurd overgooiertje om teams of rollen te onderscheiden, bijvoorbeeld de tikkers bij tikkertje. Neem hesjes in twee of drie kleuren mee naar elke training.
Een plat, rond markeringsschijfje dat op de grond ligt. Je gebruikt het voor een startplek of een wachtplek, want kinderen kunnen er zonder vallen overheen lopen.
Dribbelen waarbij je de bal steeds van forehand naar backhand en terug tikt, vóór je lichaam. Zo kun je de bal snel van richting laten veranderen en een tegenstander verrassen. Losse polsen en laag door de knieën is het geheim.
Een korte prik met de stick naar de bal, met alleen de linkerhand aan de stick. Zo stoor je een aanvaller zonder je plek op te geven. Na de jab sta je meteen weer op een sticklengte afstand.
Een manier om een tegenstander te passeren. Je brengt bal en lichaam eerst naar de ene kant, de verdediger stapt mee, en dan trek je de bal snel naar de andere kant en versnel je. Het werkt alleen als de eerste beweging echt overtuigt.
Zo zeg je hetEerst links lokken, dan rechts voorbij!
De speler in het doel, in een beschermende uitrusting met onder meer een helm, legguards en klompen. Bij de jongste jeugd keept niet altijd hetzelfde kind: laat ieder kind dat wil een keer keepen. De keeper leert eerst een lage basishouding en kleine zijstappen.
Een kwart van een groot hockeyveld. De 6-tallen spelen op een veld van ongeveer 43 bij 25 meter, met aan beide korte kanten een laag plankdoel. Zo passen er vier wedstrijden tegelijk op één groot veld.
Gaat de bal via een verdediger over de eigen achterlijn, dan krijgen de aanvallers een lange corner. Bij O9 neem je hem op de 10-meterlijn, ter hoogte van de plek waar de bal eruit ging. De bal moet eerst drie meter rollen voordat hij het 10-metergebied in mag.
Spelregels kennen
Legguards
Materiaal
De dikke, brede beschermers om de benen van de keeper. Daarmee stopt de keeper lage ballen. Over de schoenen draagt de keeper klompen.
Zo zeg je hetLegguards tegen elkaar, achter de bal!
Bij het aannemen sta je al half gedraaid naar de plek waar je de bal daarna heen speelt. Dan hoef je na de aanname niet meer te draaien en speel je meteen door. Borst naar de bal, schouder naar de volgende.
Het moment waarop de bal van team wisselt. Ben je de bal kwijt, dan ga je meteen terug tussen de bal en je eigen doel. Win je de bal, dan kijk je meteen vooruit.
Een draai met de bal waarbij je de pion of de tegenstander blijft zien. Je draait rechtsom met de bal op de forehand. Kort afremmen, een kleine draai en meteen weer opkijken.
Je hoofd omhoog doen terwijl je de bal hebt, om te zien waar medespelers, tegenstanders en ruimte zijn. Het is het coachpunt dat je het vaakst hoort: zonder opkijken kun je niet passen of op tijd wegdraaien. Het lukt pas goed als de bal dicht aan de stick blijft.
Je hebt overtal als jullie met meer aanvallers zijn dan er verdedigers zijn, bijvoorbeeld 2 tegen 1 of 3 tegen 2. De kunst is de verdediger naar je toe te laten komen en dan de bal te spelen naar wie vrij staat. Wie te vroeg de pass geeft, geeft de verdediger tijd.
Het laatste blok van de training: vrij spelen zoals in een wedstrijd, met kleine teams. De trainer coacht alleen op het thema van de week en laat de rest gaan.
Een plastic kegel om een vak, een baan of een startplek aan te geven. In de oefeningen staan pionnen voor hoeken, keerpunten en wachtplekken. Neem er minstens twaalf mee.
Het lage doel waarop de 6-tallen spelen. Omdat de bal bij O9 niet hoger dan de knie mag komen, is een laag doel genoeg. Vraag op de club waar de plankdoelen staan als jij het veld klaarzet.
Poortje
Materiaal
Twee pionnen of een klein frame met een opening ertussen, waar je met de bal doorheen dribbelt of pusht. Met poortjes wordt een oefening meteen een spel: hoeveel poortjes haal jij?
De push is de eerste pass die kinderen leren. De stick ligt al tegen de bal en je duwt hem zonder uithaal vlak over de grond weg. Linkervoet voor, bal naast de rechtervoet en doorzwaaien naar je maatje. Zuiver gaat voor hard.
Zo zeg je hetStick tegen de bal, linkervoet voor, doorzwaaien!
Harde beschermers voor de schenen, gedragen onder de kousen. Een hockeybal is hard, dus scheenbeschermers zijn in de wedstrijd verplicht, ook bij de jongste jeugd. Op de training draag je ze ook.
Self-pass
Regels
Ook: selfpass
Een manier om het spel te hervatten: je speelt de bal niet naar een ander, maar dribbelt er zelf mee weg. Bij O9 mag dat bij een beginslag, een vrije slag en een bal over de zij- of achterlijn, net als een push of schuifslag. Zo gaat het spel snel verder.
Zo zeg je hetNeem hem zelf mee!
Spelregels kennen
Shoot
Regels
Shoot is als de bal je voet of been raakt. Dat mag niet: je speelt de bal alleen met de stick. Bij O9 fluit de speelbegeleider het alleen als het team van die speler er echt voordeel van heeft; de andere partij krijgt dan een vrije slag.
Zo zeg je hetShoot! De bal is voor de ander.
Spelregels kennen
Shoot-out
Regels
Een aanvaller tegen de keeper, met de rest van de spelers op afstand. Bij O9 krijg je een shoot-out als een verdediger met een overtreding een duidelijk doelpunt voorkomt; de aanvaller start drie meter buiten het 10-metergebied. Bij O10 vervangt de shoot-out de strafcorner en start de aanvaller vanaf de middenlijn. Er is geen tijdslimiet.
Spelregels kennen
Slag
Techniek
Ook: slaan
Bij een slag haal je uit met de stick en sla je de bal hard weg, met de handen dicht bij elkaar bovenaan de stick. Een slag gaat verder en harder dan een push, maar is moeilijker te richten. In de trainingen voor O9 en O10 leren kinderen eerst pushen; de slag komt bij O11–O12.
Bij de jongste jeugd is er geen scheidsrechter, maar een speelbegeleider: een volwassene, bij O9 van de thuisclub. Die laat het spel zoveel mogelijk lopen en fluit alleen als dat het spel helpt, bijvoorbeeld bij gevaarlijk spel of duwen. Voor deze rol heb je geen scheidsrechterskaart nodig.
Zo zeg je hetBedankt voor het begeleiden!
Spelvorm
Organisatie
Een klein spel met eigen regels dat één techniek of idee uitlokt, zoals 4 tegen 2 of 3 tegen 3 op doeltjes. Hooguit vier kinderen per team, zodat iedereen vaak aan de bal is. De spelvorm komt in de training na het techniekblok.
Je speelt alleen met de platte kant van de stick; de ronde kant heet de bolle kant. Een goede stick voor een kind komt staand ongeveer tot de heup. Met een te lange stick zijn dribbelen en aannemen veel moeilijker.
Sticklengte
Spel
Ook: stick-lengte
De afstand van ongeveer één stick tussen een verdediger en de speler met de bal. Op die afstand kun je de bal raken en word je niet makkelijk voorbijgespeeld. Sta je dichterbij, dan ben je zo gepasseerd; sta je verder weg, dan heeft de aanvaller alle tijd.
Een vrije kans vanaf een stip voor het doel, alleen tegen de keeper. Je krijgt hem als een verdediger met een overtreding een doelpunt voorkomt. Bij O10 bestaat de strafbal; bij O9 is er in plaats daarvan een shoot-out.
Strafcorner
Regels
Ook: korte corner
Bij de oudere jeugd en de senioren krijgen de aanvallers een strafcorner na een overtreding van de verdediging in de cirkel. De bal wordt vanaf de achterlijn ingespeeld, en een vast aantal verdedigers start achter de achterlijn. Bij O9 en O10 bestaat de strafcorner niet; daar is er een shoot-out.
Strafcorner: basis
T
Teammanager
Organisatie
Ook: TM
De ouder die naast de coach het team organiseert: het rijschema, de bardienst, de berichten aan ouders en de afspraken met de club. De coach doet het hockey, de teammanager de rest. Bij De Kikkers is dat een vrijwilligerstaak, net als coachen.
Time-out
Regels
Een korte pauze om het team iets te vertellen. Bij O9 mag elk team één time-out per helft nemen, van twee minuten, en de klok loopt door. Spreek voor de wedstrijd met de andere coach af of jullie er gebruik van maken.
Tussen bal en doel
Spel
De plek van een verdediger: op de lijn tussen de bal en het eigen doel. Dan moet de aanvaller altijd langs jou om te scoren. Een kind dat dit snapt, is al een goede verdediger.
Als aanvaller rustig op de verdediger af dribbelen en naar hem kijken, zodat hij moet kiezen. Pas als de verdediger beweegt, maak je je actie en versnel je. Wie te vroeg gaat, loopt vaak tegen de stick van de verdediger aan.
Zo zeg je hetKijk naar de verdediger en kies een kant!
Na een overtreding krijgt de andere partij de bal: officieel heet dat een vrije slag. Bij O9 neem je hem met een push, een schuifslag of door zelf met de bal weg te dribbelen. Iedereen houdt drie meter afstand, en de bal hoeft niet stil te liggen. Bij O10 is de afstand vijf meter.
Zo zeg je hetDrie meter afstand!
Spelregels kennen
Vrijlopen
Spel
Ook: vrij lopen
Weglopen naar een plek waar de bal je kan bereiken, zonder tegenstander ertussen. Wie de bal net heeft gespeeld, loopt meteen weer vrij. Zo heeft de speler met de bal altijd iemand om naar te passen.
Het eerste blok van de training en van de wedstrijddag, ongeveer tien minuten. Bij deze leeftijd is dat altijd een spelletje met de bal, geen rondjes lopen. Zo zijn de kinderen meteen bezig en warm.